Donderdag 24 oktober 2019. Vandaag is het een spannende dag. Ongenadig is vanaf nu verkrijgbaar in de boekhandel. Dat betekent dan weer lezers en meningen. De presentatie komt dichterbij, nog drie dagen. De zenuwen beginnen op te spelen, want naarmate de dag nadert, zie ik ongelooflijk veel beren op het pad. Natuurlijk gaat het goed, probeer ik mezelf op te peppen. We gaan er met ons allen iets heel moois van maken.   

Nu schrijf ik niet alleen thrillers. Korte verhalen schrijven is iets wat ik heel leuk vind. Dit verhaal heb ik vorig jaar voorgelezen tijdens de presentatie van de LetterRijn bundel Deadline en dit verhaal wil ik jullie niet onthouden 

Veel plezier!  

Lieve groet, 

Karin  

 

Betsie  

Met een zucht van verlichting schop ik na de lange werkdag mijn schoenen uit en ik plof op de bank neer. Het stapeltje reclame en post dat ik van de mat heb opgeraapt, gooi ik op de salontafel. Voorlopig heb ik het rijk alleen, Rick mijn vriend van dit moment, zou laat thuis zijn. Hij mompelde iets over een vergadering vanmorgen. Nu ben ik vroeg in de ochtend niet op mijn best en hoor ik meestal de helft niet van wat er tegen me wordt gezegd. 

Ik slof naar de keuken om een fles witte wijn uit de koelkast te pakken. Ik heb trek in een borrel na het oeverloze gezeur van mijn afdelingschef die ons helaas de hele dag met zijn aanwezigheid had verblijd. Nu ik toch in de keuken sta, grabbel ik meteen in de la om het menu van de dichtstbijzijnde pizzabezorger mee te nemen. 

Wat een uitvinding, denk ik, terwijl ik terugloop naar de kamer. Ik hoef maar te bellen en met een beetje geluk heb ik binnen twintig minuten een warme pizza. Helaas zijn de bezorgers in mijn buurt nooit de flitsend mooie jongens die ik altijd in films zie, maar jonge ventjes die vol bravoure op hun scooters rondscheuren. Na mijn telefoontje naar de pizzatent waarvan de eigenaar mij de plechtige belofte heeft gegeven al over een kwartier te bezorgen en extra kaas op de pizza te mikken, bekijk ik de post. Reclame leg ik meteen naast me op de bank. Afgezien van de gebruikelijke rekeningen valt me een simpele witte envelop op waarop alleen mijn naam in priegelletters staat geschreven. Nieuwsgierig scheur ik hem open. Mijn mond valt open van verbazing als ik de regels lees die op het met kleine roosjes versierde kaartje staan.  

Beste Karina, 

Na jaren alleen door het leven te zijn gegaan, heb ik nu mijn partner gevonden. Wij gaan samenwonen. Dit willen we graag vieren met een etentje voor onze naaste buren. Wij verwachten je op vrijdag 2 mei om 20:00 uur. Met vriendelijke groet, 

Betsie en Jan (nummer 15) 

In de linker benedenhoek staat discreet een envelopje afgebeeld.  

Holy shit, Betsie! In paniek kijk ik op de kalender om de datum nog een keer bevestigd te zien. Het is morgen 2 mei. Mijn enige vrije dag in de week en dan word ik op een etentje bij mijn buurvrouw verwacht? 

Ik haat dat mens. Vanaf het moment dat ze naast me is komen wonen, een jaar of zes geleden, heeft ze nog nooit een goed woord voor me over gehad. Ik ook niet voor haar trouwens. Ze is een eerste klas zuurpruim. Als ik in de zomer in mijn bikini in de tuin lig, bekijkt ze me met haar misprijzende blik. Als ik in de herfst niet snel genoeg de afgevallen bladeren van mijn stoep veeg, verandert haar blik van misprijzend naar minachtend. En laat ik het maar niet over de winter hebben als het toevallig een keer gesneeuwd heeft en het pad naar de voordeur onder een laagje sneeuw bedolven ligt. 

Op dat moment verstoort de bel mijn gedachten. Ik neem mijn pizza in ontvangst, betaal het joch dat me met een gezicht vol puistjes grijzend aankijkt en ik zet nog totaal verbijsterd de doos in de keuken. Ik heb opeens geen honger meer.  

Die vrijdag lijkt de klok met een dubbele snelheid rond te draaien. Rick vond dat ik moest gaan die avond. De buurvrouw heeft tenslotte als eerste toenadering gezocht. Nu moest ik niet vervelend gaan doen. Hij heeft makkelijk praten. Zijn vrijdagavonden zijn altijd gereserveerd voor zijn vrienden. Vrijdagavonden die meestal eindigen in één of andere gezellige kroeg. 

Een paar minuten voor acht. Ik kan het echt niet langer uitstellen. Met een zucht pak ik mijn tas en de felicitatiekaart waarin ik in plaats van geld, een cadeaubon heb gestopt. Ik moet toegeven dat ik toch een beetje rebels wil zijn. Voor de spiegel controleer ik nog één keer mijn kleding. Daar zal ze niets van kunnen zeggen. Ik heb mijn keurige zwarte pantalon uit de kast gehaald en een net truitje. Mijn lange, bruine haren heb ik in een strakke knot gedraaid. 

Ik druk op de bel waarboven het nieuwe naambordje prijkt. Een kitscherig ding met vlinders en hartjes. Jan en Betsie. De deur zwaait open, met een stralende glimlach staat mijn buurvrouw voor me. Karina, wat lief dat je er bent,’ zegt ze met een gemaakt hoog stemmetje. ‘Kom verder alsjeblieft dan kun je met Jan kennis maken.’ Ik volg haar parfumwolk naar de huiskamer. ‘Jan, liefje,’ kirt Betsie voor me. ‘Dit is Karina. Ze woont op nummer 17.’ 

Ik staar naar de rug van de man die zich tergend langzaam omdraait. Mijn hart vergeet een paar slagen en voor mijn gevoel sta ik naar adem te happen als een vis op het droge. Mijn ogen willen niet geloven wat ze zien. Haar Jan… haar Jan is mijn oervervelende afdelingschef! Het liefst zou ik me meteen omkeren en vluchten naar de veiligheid van mijn eigen huis en me verstoppen onder mijn dekbed. Minzaam kijkt Jan me aan. ‘Karina, wat een verrassing. Ik wist niet dat je mijn buurvrouw zou worden.’ Met argusogen bekijkt Betsie het tafereel. ‘Jullie kennen elkaar?’ vraagt ze met opgetrokken wenkbrauwen. ‘Ja zeker,’ beaamt Jan. ‘Karina werkt voor mij.’ De gelaatsuitdrukking van Betsie verandert van aardig naar argwanend. We kunnen zo aan tafel,’ zegt ze kort. ‘Ik neem aan dat je de buren van nummer 13 al kent?’ Met het zweet in mijn handen knik ik Betsie toe. Mijn stem vertrouw ik niet. 

Ik ben even naar het eten kijken’ Met die woorden draait ze zich om en loopt met grote passen naar de keuken. Als de deur naar de keuken open gaat, komt er een geur de kamer in die mij mijn maag laat omkeren. Mijn blik gaat over de keurig gedekte tafel. Mandjes met zuinig gesneden stokbrood staan al klaar. Diepe borden? Mijn vermoeden zal toch geen werkelijkheid gaan worden.  Mijn enge afdelingschef staat inmiddels uitnodigend bij de tafel. Met een misselijkmakende glimlach vraagt hij: ‘Kom je zitten, Karina?’ 

Betsie komt weer binnen met de mededeling: ‘Nog een paar minuutjes, dan kunnen we eten. Zullen we vast gaan zitten?’ Een overbodige vraag want iedereen zit al. Vol verwachting kijkt Betsie me aan. Dan realiseer ik me dat ik nog steeds de envelop met de kaart in mijn hand heb. Ik voel een blos over mijn wangen kruipen. ‘Sorry’ zeg ik moeizaam. ‘Heel veel geluk, samen.’ Ik overhandig haar de envelop die ze gretig aanpakt. Oh kijk eens, Jan. Nog een cadeau! Misschien hebben we dan net genoeg om die nieuwe tuinset te kopen.’ Mijn blos verandert in brandende wangen. Wat ben ik weer bijdehand geweest met mijn cadeaubon. Als Betsie de inhoud bekijkt zegt ze met ingehouden nijd in haar stem: ‘Oh een bon, wat leuk. Ik koop helaas nooit bij Blokker.’ De envelop wordt meteen verbannen naar een lade onderin de kast.  

Vol trots komt Betsie de kamer in met mijn ergste nachtmerrie in haar handen. Een pan gevuld met erwtensoep wordt in het midden van de tafel gezet. Ik zie de stukjes spek erin drijven. Vol walging zie ik op sommige stukjes nog haartjes zitten. Wat moet ik doen? Ik kan zeggen dat ik me niet lekker voel. Meteen verwerp ik die gedachte. Tot mijn afgrijzen schept Betsie de borden tot de rand toe vol met die groene smurrie. Ik zie haar stiekem naar me kijken. Met een mierzoet stemmetje vraagt ze me: ‘Je houdt toch wel van erwtensoep, Karina? Het is misschien niet meer de tijd voor een wintersoep, maar ik ben er vijf dagen mee bezig geweest.’ 

Dat is de druppel. Die soep staat er al vijf dagen! Ik moet er niet aan denken om daar ook maar één hap van te nemen. Opeens begrijp ik de uitnodiging. Ze wil ons vast allemaal vergiftigen. Ongecontroleerd schuif ik mijn stoel achteruit. Ik kan natuurlijk niet voorkomen dat die met een klap op de plavuizen vloer valt. Met een gemompeld sorry vlieg ik bijna de voordeur uit. Hijgend sta ik in mijn eigen gang en zie mijn vuurrode gezicht in de spiegel. Mijn zorgvuldig in elkaar gedraaide knot lijkt ontploft en hangt piekerig op mijn schouder Ik kan het niet helpen, maar ik barst in lachen uit! 

Goede buren zijn we trouwens ook nooit geworden. 

 

Leave a Reply

  • (not be published)